De Nederlandse overheid doet te weinig te langzaam en staat te veel toe

De Nederlander eert zijn eigen verleden niet, en vernielt gebouwen en landschappen, betoogt Marita Mathijsen. En de overheid doet te weinig en staat te veel toe. Hier een samenvatting van het mooie pamflet van haar hand:

Met het historisch besef staat het er beroerd voor in Nederland. Zie de inrichting van huizen: eenvormigheid is troef. Alles van oma gaat de straat op: meubels, fotoalbums, porselein, oude boeken. In de opruimverslaving verdwijnen herinneringen alsof het stof is dat afgenomen moet worden. In een land waar het eigen verleden nauwelijks geëerd wordt, kun je niet verwachten dat het publieke verleden een betere behandeling krijgt. Het is om te janken wat er met de binnensteden gebeurt. Of je in Leeuwarden of Breda bent: overal hetzelfde, dezelfde winkelketens, dezelfde voetgangersgebieden, identieke etalages.

Utrecht is met Hoog Catharijne de grootste zonde die ooit tegen de historie van een stad gepleegd is. De naam alleen al duidt aan wat voor cynici het waren die hier met een staafmixer door het verleden gegaan zijn. Wat een hybris om een namaakhistorische naam te gebruiken voor dit product van wansmaak, grove commercie, botte economie, minachting voor esthetiek, walging van schoonheid en verheerlijking van consumptie van de goedkoopste soort! Patatbouw in een krokettencomplex.

Nog ingrijpender, want onherstelbaar, is wat er met landschappen gebeurt. Ik ben geboren in een gebied waar nog rivierduinen voorkwamen. Niet ver van de Maas lag een heuvelrij die de Kozakkenberg genoemd werd. De naam hield de herinnering aan de Franse tijd vast, toen de Kozakken West-Europa van Napoleon kwamen bevrijden. De Kozakse ruiters op kleine paarden stonden bekend om hun vechtjasmentaliteit. Mijn grootvader placht te zeggen als wij stout waren: ‘Ik geef je mee aan de Kozakken.’ Honderdvijftig jaar na dato waren de Kozakken dus nog een begrip in het collectieve geheugen van Limburg. Kort daarna kwam er een industrieterrein op de Kozakkenberg. De duinen werden geëgaliseerd, niets herinnerde meer aan de mooie zachte welvingen van weleer.

Wat in een Limburgs dorp gebeurt, gebeurt op grote schaal. Overal waar ruilverkaveling heeft plaatsgevonden, waar grote industrieterreinen aangelegd zijn en nieuwe woonwijken, is geen rekening gehouden met de oorspronkelijke waterlopen, met de natuurlijke heuvels en dalen in het gebied. Platmaken, is het enige woord dat de ontwikkelaars lijken te kennen. Maar waarom zou de ene woonstraat niet hoger liggen dan de andere, waarom zou de voorkant van een huis exact hetzelfde niveau moeten hebben als de achterkant, waarom zouden er geen oude beekjes door de wijken kunnen slingeren? Gevaarlijk voor kinderen? Die verzuipen wel in de plastic vijvers die de bewoners onbeschermd in hun tuinen aanleggen.

Het lijkt er steeds meer op dat geschiedenis uit het dagelijks leven verbannen wordt. Geschiedenis gedoog je in een museum. Dat je de historie niet uit je leven kunt wegwerken, besef je niet. Alles wat we zijn, is voortzetting van iets wat was. Elke stap die je zet, zet je op grond die door anderen betreden is. Maar dat wil je meestal niet weten. Behalve als het om folklore of nostalgie gaat. Als verleden kitsch is, loopt het publiek te hoop. Een musical naar Victor Hugo trekt avond aan avond tranend publiek. In Deventer lopen in de kersttijd als Dickens-figuren verklede weeskinderen, oude vrekken en mollige tantes rond. Het is er afgeladen druk dan. Zo druk dat de werkelijke schoonheid van het oude Deventer niet meer zichtbaar is. Wat is het verleden toch fijn als het commercieel kan zijn.

Bij de publieke tv-omroepen is het niets dan treurnis, tentoonspreiding van gebrek aan historische kennis, schaamteloze minachting van het verleden. Slechts de sentimentele tranenrukkerij van adoptiefkindjes die hun bloedeigen achterbuurtmoeder opzoeken, is als zoektocht naar het verleden toegestaan. En een schamel half uurtje voor het recente verleden van Hans Goedkoop. Wie zijn eigen verleden minacht, gebouwen en landschappen vernielt, kan niet verwachten dat de overheid zich beter gedraagt. Natuurlijk, er is Staatsbosbeheer, er is de Rijksmonumentendienst, er zijn stichtingen voor het landschap en nog een heleboel instituten die half of helemaal van overheidsgeld leven. En natuurlijk heeft Staatsbosbeheer een paar centimeter natuurgebied op de kaart gered en heeft de Rijksmonumentendienst een paar kuub stenen op elkaar weten te houden. Dank, duizend maal dank.

Maar zo verschrikkelijk vaak gaat het wel mis. Zelfs de musea, die toch een voorbeeld zouden moeten geven als het om de waardering voor de geschiedenis gaat, gedragen zich soms als horken. Elk zichzelf respecterend museum is gevestigd in een mooi gebouw. Een mooi historisch gebouw, zoals het Mauritshuis, of een prachtig nieuw gebouw, zoals het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Zo niet het Letterkundig Museum. Dat is gehuisvest in een gebouw waar je nog geen onderbroekenmuseum in zou willen vestigen.

Helemaal ziedend kun je worden van wat er met het Catshuis is gebeurd. Het oude huis van Jacob Cats werd in het begin van deze eeuw gerestaureerd, onder auspiciën van de Monumentendienst. Antieke schouwen en plafonds werden verwijderd, de luiken werden gesloopt en er brak ook nog eens door nonchalance een brand uit. In 2006 liet de minister-president trots het resultaat zien. En wat zagen we? Inderdaad, Jan des Bouvrie-vertrekken voor het gezin, met de bekende stoelen met rokjes, naast protserige bling-bling-zalen voor de gasten.

Er is geen cultuur van behoud, er is geen kennis van het verleden, er is geen trots op de geschiedenis. Kan ik schuldigen aanwijzen? Wie aan de schandpaal te nagelen? Dat is nu net het allertreurigste. Het is geen kwestie van individuen. Er zijn juist overal in Nederland wel enkele idealisten die een orgel behouden, een dassenburcht beschermen, nog met de hand ketels lappen, een historisch krantje volschrijven, een graf opknappen, het dialect vastleggen. Het gaat juist om de collectieve marginalisering. En het zijn abstracte collectieven die dat veroorzaakt hebben.

Allereerst het onderwijs, dat de vaderlandse geschiedenis teruggebracht heeft tot enkele aandachtspunten zonder de historische opeenvolging vast te houden. Dat de verplichte literatuurlijsten geridiculiseerd heeft. Vervolgens zijn er de massamedia. Sinds ook de publieke omroepen commercieel denken en elk idealisme uit het programma geschrapt hebben, behalve als het bruikbaar is om de kijkcijfers omhoog te brengen, zoals nationale inzamelingsacties bij rampen, is er slechts incidenteel bij een hardnekkige omroep nog wat aandacht voor het verleden.

En dan is er nog de overheid, die bij elke restauratie eerst in de portemonnee kijkt. Die toestaat dat musea delen van hun collectie verpatsen. Die onbekwame directeuren jarenlang laat aanmodderen met prachtcollecties, tot er commissies van toezicht moeten komen die alles met een heel kostbare bontmantel der vergetelheid bedekken. Die zich niet wenst te realiseren dat het stuk land waar een nieuwe woonwijk op neergezet wordt, niet een vlakke rechthoek is. Die zich door het bedrijfsleven zo laat opfokken dat er tenslotte toch wegen en spoorlijnen door de laatste meters onbedorven landschap aangelegd worden. Die toestaat dat er jaren gekibbeld wordt, eerst of er wel een nationaal museum nodig is, daarna over de plaats waar dat moet komen te staan. En maar uitstellen in plaats van daadkrachtig dat ding in een van de prachtige overbodige grote kerken van het land te zetten. Waarna we er dan weer voor moeten oppassen dat de overheid niet tevreden in de handen wrijft en denkt dat het respect voor het verleden nu klaar is. Heel Nederland is een nationaal museum als je er op de juiste manier naar kijkt.

De Nederlandse overheid doet te weinig te langzaam en staat te veel toe. Daarover kun je niet verbaasd zijn als je ziet wat de mensen zelf doen met hun eigen verleden. Zo krijgt elk land het verleden dat het verdient.


Marita Mathijsen is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Deze tekst is een korte samenvatting van haar pamflet De afwezigheid van het verleden dat enige tijd terug verscheen in de Pamflettenreeks van Querido.

AddThis Feed Button